Translate

donderdag 11 augustus 2016

Zeven mysteries bij de Olympische Spelen in Rio

U kijkt naar de TV naar de spelen in Rio en ziet iets vreemds: een zwemster met twee badmutsen. Het is één van de mysteries bij deze Olympische Spelen.


1. Waarom drogen schoonspringers zich af met natte handdoeken?
Heeft u ze ook al bezig gezien? De Tom Daley's en andere welgevormde schoonspringers van deze spelen? Zodra ze weer kopje boven water zijn, grijpen ze naar hun miniscule handdoekjes die ze eerst kletsnat maken alvorens ze zich ermee afdrogen. Goed zot, denkt u allicht. Wat blijkt: die handdoekjes zijn geen handdoekjes. Het zijn zeemvellen. En die maak je dus eerst nat vooraleer je ze kurkdroog kunt wringen. Het grote voordeel van een zeemvel tegenover een echte handdoek: je kunt ze na iedere duik, en dat zijn er bij de schoonspringers veel, telkens opnieuw droog krijgen. Een handdoek is na een keer al nat.
Maar dat van dat goed zot, dat klopt wél, zegt gewezen zwemkampioene en olympiër Pascale Verbauwen. "Schoonspringers, dat zijn de keepers van het zwemmen. Je moet ook wel gek zijn om van 10 meter hoog te willen springen in de gekste combinaties. Een verkeerde landing en de kans is groot dat je het niet overleeft." Verbauwen heeft in haar tijd ook heel wat schoonspringers gekend. "En ze hadden één ding gemeen: allemaal rookten ze als Turken. Waarom heb ik nooit geweten. Misschien is het zoiets als dat bubbelbad waar ze tussen hun momenten van extreme concentratie in gaan verpozen en helpt het bij de mentale ontspanning."

2. Waarom zijn zwemmers sneller in een aflossing dan individueel?
U heeft het de opgetogen zwemcommentatoren de afgelopen dagen misschien ook horen roepen tijdens de estafettes van de 4x100 en 4x200 meter. "En hij zwemt bijna een seconde sneller dan in zijn individuele race!" Hoe dat kan?
De clou zit hem voornamelijk in de vliegende start. Bij een individuele race moet een zwemmer wachten op het startschot vooraleer hij een vin mag verroeren. Tussen dat schot, het horen van dat schot en het effectief vertrekken zit bij de snelste reageerders al gauw 0,52 à 0,54 seconden. Bij de traagsten is dat 0,96 seconden. Pieter Timmers bijvoorbeeld verliest zo'n 0,65 seconden nog voor hij vertrokken is. Tijd die je allemaal kunt inhalen bij de vliegende start van de aflossing: de volgende zwemmer mag zijn lichaam namelijk al lanceren nog voordat de vorige de wand aangetikt heeft. Alleen de tenen moeten het startblok nog raken op het moment dat er effectief afgeklopt wordt. Die wissel vraagt dus een ongelooflijk gevoel voor timing: als de volgende zwemmer ocharme 0,03 seconden sneller weg is dan dat de vorige aankomt, wordt het team gediskwalificeerd.
Maar die vliegende start is niet alles, zegt Verbauwen, die nog altijd verbonden is aan de Vlaamse zwemfederatie. "De aflossingsdruk mag je ook niet onderschatten. Je wilt je team niet teleurstellen, je zwemt niet alleen voor jezelf maar ook voor hen. Dan kun je altijd iets meer." Een derde factor is "adrenaline door externe factoren". "Dat is wat de 4x200 ervoer dinsdag in de reeksen. Het is niet toevallig dat Dieter Dekoninck net dan de race van zijn leven zwom, na zo veel gedoe rond al dan niet starten. Hij wilde iets bewijzen."
Verbauwen spreekt uit ervaring. "Ik was op de Spelen van 1980 in Moskou nog altijd nietsvermoedend aan het opwarmen toen bleek dat mijn reeks in de 800 meter vrije slag vervroegd was en mijn concurrenten al op de blokken stonden. Ik ben de hele hal moeten doorspurten, heb onderweg mijn badpak nog moeten aantrekken en stond net op het startblok toen er afgeschoten werd. Pas in het water had ik door dat ik tussen twee Russinnen lag. Kwaad als ik was, wilde ik die per se te grazen nemen. Toen ik aankwam bleek ik 15 seconden sneller gezwommen te hebben dan mijn kwalificatietijd. Helaas maak je zo'n rush maar één keer in je carrière mee."

3. Waarom dragen zwemmers twee badmutsen?
Omdat die verrekte dingen niet altijd even standvastig zijn als ze lijken. Zeker bij zwemmers met een weelderige haardos durft de siliconen hoofdhuid al eens het ruime sop te kiezen door de stuwende kracht van het water tijdens het duiken. Om dat te vermijden trekken sommige zwemmers er al eens twee over elkaar aan.
Anderen opteren dan weer voor de dubbele bescherming om hun zwembrilletje op zijn plaats te houden. Niets zo vervelend immers als een bril die plots water begint te maken op het belangrijkste moment uit je carrière, dus kun je hem voor de zekerheid maar beter klemvast zetten tussen twee zuignappen van badmutsen in.
Met aerodynamica heeft het nauwelijks iets te maken: daarvoor volstaat één muts of een netjes gladgeschoren hoofd ook ruimschoots.

4. Waarom zijn er in het judo twee bronzen medailles?
Dirk Van Tichelt haalde maandag een bronzen medaille in zijn gewichtsklasse, maar hij moest wel het gezelschap van een Georgiër naast zich dulden op het derde schavotje. Zo gaat dat in het judo: daar geen teleurgestelde vierde in het klassement, pas de vijfde heeft reden tot huilen. Ook in het taekwondo en karate werkt dat zo.
De boosdoener zijn de herkansingen: de twee judoka's die in de kwartfinales verliezen van de latere finalisten, die mogen met de verliezende halve finalisten strijden om de bronzen plak. De winnaars van die wedstrijden krijgen ieder een medaille. Als er nog eens een extra kamp gevochten zou moeten worden om slechts één bronzen medaille uit te reiken, zouden die judoka's meer wedstrijden achter de kiezen hebben dan de finalisten. En dat wil de judobond niet hebben.
Ex-judocoach Jean-Marie Dedecker: "Het trekt voor een stuk het oneerlijke van de loting recht. Je moet maar de sukkelaar zijn die veel te vroeg tegen de topfavoriet uitkomt. Ik ben helemaal voor. Meer zelfs: ze zouden het systeem beter uitbreiden naar nog meer sporten."

5. Waarom is een hockeyveld net een zwembad?
Een hockeyveld even blauw als een zwembad en bijna even nat ook: het water spat tot bijna kniehoogte wanneer een stick met wat kracht op een bal in hakt. Niet voor niets heten zulke velden, die alleen door de meest professionele teams betaald kunnen worden, watervelden. Tussen de synthetische haartjes van het blauwe tapijt wordt water gespoten en wel om twee belangrijke redenen: de bal kan daardoor sneller rollen en de spelers riskeren niet zo snel brandwonden bij een val.
Maar waarom op zo'n gevaarlijk en duur waterveld spelen als het ook gewoon op gras zou kunnen? Dat was vroeger, zegt Albert Fischer van de Belgische hockeybond, dit is nu. "Hockey is een sport die met zijn tijd meegaat. Zo'n waterveld maakt het spel interessanter, technische hoogstandjes kunnen er ook beter op uitgevoerd worden. Maar we hebben ook veel andere innovaties doorgevoerd in de loop der jaren. Buitenspel bestaat niet meer en je kunt onbeperkt wisselen waardoor er constant frisse spelers op het veld staan." Het voetbal kan dus nog wat leren van het hockey? "Ik ben blij dat u het zelf opmerkt."

6. Waarom zijn hockeyspelers niet blij met een groene kaart?
Gele en rode kaarten, daar kunnen we ons iets bij voorstellen. Maar een groene? Die wil dan vast zeggen dat je iets goed gedaan hebt, toch? Niet dus. Een groene kaart in het hockey is een eerste waarschuwing. Wie er eentje krijgt moet twee minuten gaan afkoelen op de bank. Twee groene kaarten voor dezelfde fout staat gelijk aan een gele kaart en minstens vijf minuten bankzitten. Een rode kaart is gaan douchen. Om het geheel nog wat op te leuken, houden ze er in het hockey gekke vormpjes op na. Een groene kaart is driehoekig, een gele gewoon rechthoekig en een rode rond. Waarom, hockeybond? "Gewoon, omdat dat ooit zo beslist is."

7. Waarom duurt een rugbywedstrijd op de Spelen twee keer 7 minuten?
Omdat er op de Olympische Spelen Rugby Sevens gespeeld worden. Maar dat zegt u wellicht nog niks. Rugby Sevens zijn een korte, veel attractievere variant op de traditionele rugbywedstrijden die twee keer 40 minuten lang met vijftien spelers gespeeld worden. Die Fifteen Rugby is echter zo fysiek slopend dat er na iedere match op medisch voorschrift een vijftal dagen gerust moet worden. Een kampioenschap duurt dan ook een halve eeuwigheid en zo veel tijd is er niet op goed twee weken de Olympische Spelen. Daarom dus de Rugby Sevens met zeven spelers per ploeg, die ook buiten de Spelen serieus aan een opmars bezig zijn. De internationale rugbybond ziet wel brood in deze veel snellere variant op een even groot veld met evenveel goals en een veel grotere spektakelwaarde. Het is bovendien goed nieuws voor kleinere rugbylanden als het onze: in het 'grote' rugby valt er niks te beginnen tegen de grootmachten uit de Engelstalige landen plus Frankrijk. Bij de Sevens is de concurrentie veel groter.

Bron: het Belgische dagblad De Morgen

Lees ook:
* Boek: Kannibalen in Rio
Ter gelegenheid van de Olympische Spelen herschreef journaliste Ineke Holtwijkde de klassieker Kannibalen in Rio vanuit haar flat, negen hoog, om de hoek van het strand van Copacabana in Rio de Janeiro. Ze stort zich energiek in het Braziliaanse leven. Haar belevenissen in de marge van haar werk vormen het vertrekpunt voor haar boek. Het zijn verrassende, onthutsende en vaak hilarische verhalen met hartverwarmende personages. Holtwijk weet de krankzinnigheid van Brazilië prachtig te vangen en te duiden. We zien een land waar niets is wat het lijkt, dat je besef van goed en kwaad wegvreet, pendelt tussen hoop en wanhoop, en gretig is. Het ‘nu’ moet intens geleefd worden, want ‘beleven overtreft alle begrip’. Kortom, een klassieker!

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Geef uw reactie! Alle reacties worden na een beoordeling geplaatst.